Bedenk goed waarom je geld wilt lenen

Er wordt tegenwoordig veel meer geld geleend dan vroeger. De drempel is dan ook een stuk lager. Voorheen kon je alleen geld lenen bij een bank als je genoeg aanzien had, en aan kon tonen dat je schuldvrij was. Nu zijn de eisen voor het afsluiten van een lening of krediet veel lager, en het is al lang niet meer uitsluitend bij de banken te regelen. Dit betekent dat de mensen die geld nodig hebben een stuk makkelijker aan het geld kunnen komen. Het betekent echter ook dat mensen te makkelijk geld gaan lenen. Wanneer een aankoop niet direct gedaan kan worden omdat het geld er niet is, is het niet langer noodzakelijk om het geld eerst op te sparen. Je kunt het ook immers gewoon geld lenen, of kopen op afbetaling. Maar dat is niet in alle gevallen even verstandig.

snel-geld-lenen

Waarom wil je geld lenen?

Er zijn mensen die geld lenen voor producten die zij eigenlijk niet echt nodig hebben. Denk aan nieuwe kleding, een nieuwe spelcomputer of andere luxe. Dit lijkt misschien logisch met de lage rente, maar besef je goed dat geleend geld altijd duurder is dan geld dat wel voorhanden was op het moment dat de aankoop gedaan moest worden. Daarbij is het vaak de vraag of het de moeite wel waard is. Natuurlijk is het leuk om nieuwe dingen te kopen, maar is het nog steeds zo leuk wanneer je maanden lang af moet betalen en daardoor maandelijks minder geld overhoudt? Je zal niet de eerste zijn die in de problemen komt door geld lenen vanwege de aankoop van producten die het achteraf eigenlijk niet eens waard waren. En dan kan het verstandig zijn om van tevoren even goed na te denken over de opties die je hebt.

Impuls aankopen

Er zijn veel mensen die een impuls aankoop willen doen, omdat zij denken dat zij het product nodig hebben. Dit zijn ook de mensen die sneller kiezen voor aankoop op afbetaling, of het aangaan van een lening. Dit is redelijk makkelijk te voorkomen wanneer je dit echt wilt. Bedenk je voor elke aankoop wat de prijs van het product is, en wat je erdoor mis zal lopen de aankomende tijd. Vraag je ook af in hoeverre je het product echt nodig hebt, en hoe vaak je het gaat gebruiken. De meeste keren dat je dit toepast, zal je zien dat je het product uiteindelijk niet zal kopen, omdat het eigenlijk helemaal niet nodig is. Dat geeft je nog een groot voordeel. Elke euro die je niet geleend hebt, hoef je ook niet terug te betalen en daarover kan ook geen rente gerekend worden. Zo kun je een stuk makkelijker sparen voor zulke uitgaven in de toekomst, want als het geld er wel gewoon is, dan wordt het verhaal direct al anders.

geld-lenen-direct


Banken hebben meer vertrouwen in de economie

Uit de cijfers van de banken blijkt dat zij meer vertrouwen hebben in de economie dan grofweg een jaar geleden. Dat is niet direct uit de cijfers af te lezen, maar wanneer er gekeken wordt naar het aantal leningen dat verstrekt is aan bedrijven, dan is er een duidelijke stijging te zien. Wanneer de banken weinig tot geen vertrouwen in de economie hebben, blijven directe leningen aan de bedrijven uit, zoals we al het afgelopen jaar gezien hebben. Het vertrouwen is enigszins verrassend. De situatie met Griekenland is niet opgelost en het bijgedrukte geld van de ECB kan voor grote problemen gaan zorgen op de langere termijn. Desalniettemin lenen de banken meer geld uit aan de bedrijven, die dat hard nodig hebben. Gelijk met de stijging in het aantal leningen neemt namelijk ook de vraag naar leningen en kredieten vanuit het MKB toe. Een samenloop die allerminst verrassend is, maar wel eentje waar een flinke kanttekening bij gemaakt moet worden.

De bank waar we altijd heen gaan

De meeste bedrijven en consumenten hebben een rekening lopen bij één bank. Nog vaker zijn er twee of meer rekeningen bij dezelfde bank. Een servicerekening, een spaarrekening en een lopende rekening. Alle diensten zijn bij dezelfde bank ondergebracht, inclusief de hypotheek. Dat lijkt bijzonder handig en gemakkelijk, maar in feite snijd je daarmee jezelf in de vingers. Wie zegt dat jouw bank de beste bank is op al deze vlakken? Niemand, maar het is wel de reden waarom de gestegen mogelijkheden en de gestegen vraag samengevallen zijn onlangs. De bedrijven hebben namelijk net zolang gewacht totdat zij wisten dat er meer mogelijkheden waren bij de eigen bank.

Dat betekent doorgaans dat er te duur geleend wordt en dat het spaargeld veel te weinig geld oplevert. Het is vele malen beter om de aanbieders eens naast elkaar te leggen, om zo te bekijken wat het beste is om te doen. De eigen bank kiezen geeft de bank een positie met veel macht, terwijl jij uiteindelijk de partij bent die moet gaan betalen. Daarom moet je er vooral voor zorgen dat je zelf de macht in handen houdt, want uiteindelijk is het jouw handtekening waar het allemaal om draait.


Twee types free spins die u laten duizelen

Wanneer u een online casino bezoekt of over een aanbieding op een website leest waar de term “free spins” wordt gebruikt, is het verleidelijk om te denken dat de advertenties en het casino het over hetzelfde hebben.

Terwijl, in de ruimste zin van het woord, free spins voor een bepaalde online video slot juist kunnen zijn, is er eigenlijk een duidelijk en opvallend verschil tussen wat de ene free spin kan bieden ten opzichte van de andere.

In dit artikel gaan we de twee verschillende types van free spins onderzoeken die spelers aangeboden krijgen van een casino, zowel in termen van hun startersbonus als ook in het algemeen tijdens het spelen op één van de slots.

Laten we, met dat in gedachten, eens kijken naar de eerste soort gratis spins die een speler kan tegenkomen wanneer ze ervoor kiezen om zich bij een ​​casino aan te melden.

gokkasten-gratis-spelen

No deposit free spin aanbiedingen

Hoewel deze aanbiedingen zeldzaam zijn, zijn er een aantal casino’s die deze speciale aanbiedingen hebben.

Wat een ‘no deposit free spin’ aanbod betekent, is dat door u simpelweg te registreren bij het casino, u onmiddellijk het genoemde aantal free spins ontvangt om mee te gaan spelen op een bepaald tijdstip en bepaald spel, terwijl er géén contant geld storting nodig is.

Om het aanbod te kunnen ontvangen, hoeft u alleen maar de casino software op uw apparaat te downloaden en het registratieformulier in te vullen. Deze aanbiedingen kunnen niet worden geopend tijdens het spelen op de Instant Flash casino’s. Dit komt omdat het casino wil zorgen dat de spelers er een beetje moeite voor doen. Zodra het casino is geïnstalleerd kunt u inloggen en uw free spins spelen en hopelijk wat geld winnen!

Dit type aanbod is echt ‘gratis’ omdat er geen vorm van betaling van de speler wordt gevraagd om uw winsten te genereren. Als zodanig zijn deze aanbiedingen over het algemeen zeer zeldzaam in de online casino wereld en worden gretig opgepikt door slot fans als deze nieuwe aanbiedingen beschikbaar komen.

Deposit free spin aanbiedingen

Casino’s zijn meer geneigd om free spins aan te bieden als de speler een eerste storting doet. Er is niets mis om gratis spins op te eisen. U doet gewoon de minimale storting of als u ook wilt profiteren van de deposit bonus aanbieding neem dan de geschikte storting om de maximale first deposit bonus te krijgen. Naar gelang de stortingsoptie die u kiest, zult u de free spins ontvangen.

Let op dat free spins steeds beperkt zijn tot een bepaald spel, zodat u een x-aantal spins niet kunt ontvangen om vervolgens zelf te beslissen op welke slot u ze wilt gebruiken.

Deposit free spins kunnen worden gespeeld in een download casino of in de browser. Dit is een ander verschil tussen de ‘no deposit’ en de ‘deposit’ spins. Het grootste verschil is natuurlijk of het een ‘no deposit’ of een ‘deposit’ aanbieding is.

Er is geen verschil tussen de twee in termen van de first deposit bonus. U kunt altijd aanspraak maken op exact dezelfde bonus met behulp van deze methode.

Casinos-in-nederland

Welk free spin aanbod is beter?

Het belangrijkste voordeel van een ‘no deposit’ aanbod is dat u casino ervaring kunt opdoen alvorens u beslist om een storting te doen. Dit is eigenlijk een zeer goede eigenschap waardoor de speler kan “shoppen” en het casino kan vinden waar men zich comfortabel voelt. Het is een schande dat er niet zoveel no deposit aanbiedingen te vinden zijn. Als u echter al heeft besloten bij welk casino u een storting gaat doen, kijk dan of u dit soort aanbiedingen kunt vinden!

 


Direct geld lenen als de oplossing voor de onverwachte financiële crisis

Eén onverwachte tegenvaller en uw budget brokkelt af. Het is niet meer hetzelfde. Met het hebben van een persoonlijke strijd elke maand om bij te blijven met het budget zoeken veel mensen hun toevlucht tot creditcards om zaken te betalen. In het geval dat u een van hen bent, realiseer u dan dat er een moment komt dat het niet bij uitstek geschikt om uw doel te dienen. Direct geld lenen is met name bedoeld voor situaties waar onmiddellijk geld voor nodig is.

Een kapotte auto, een ziek kind, reparaties thuis, een overlijden – veel dingen in het leven staan ​​bekend om hun onverwachte opdoemen. Financiële instellingen en banken geeft direct geld lenen voor iedereen die worstelt met onverwachte financiële noodsituaties. Online financiële kredietverstrekkers hebben het gemakkelijker gemaakt om geld te lenen in de vorm van direct geld lenen door een proces dat handig en toegankelijk is voor elk individu.

Net Catching Money

Nu geld lenen heeft weinig voorwaarden voor goedkeuring. Naast uw naam en contactgegevens vragen ze de details van uw dienstverband. U moet in vaste dienst zijn met een regelmatig inkomen. Dit zal uw goede wil ondersteunen op de klaskredietmarkt. U moet ook een actuele, geldige bankrekening hebben. Zij kunnen u ook vragen om bankafschriften en specificaties van andere leningen en schulden.

Het proces van direct geld lenenis eenvoudig. Het vereist dat de kredietnemer een aanvraagformulier invult dat uw inkomen en contactgegevens omvat. De beslissing voor het flashkrediet wordt direct gemaakt – binnen enkele minuten en het geld wordt nog dezelfde dag naar uw bankrekening gestuurd. Nederlandse kredietinstellingen werken de klok rond, zodat u zich geen zorgen hoeft te maken over het niet krijgen van geld in het weekend.

Het terugbetalen van de flashkrediet lening gaat volgens de traditionele methode, welke een gepostdateerde cheque is die de kredietgever houdt tot de vervaldag. Online flashkrediet instellingen schrijven het bedrag automatisch af van uw bankrekening en u wordt op de hoogte gehouden.

De krediettermijn is natuurlijk kort. De looptijd voor flashkredieten varieert meestal tussen 14-18 dagen. De kredietnemer moet een afbetalingsplan uitwerken in overleg met geldschieter. De geldschieter zal zich een paar dagen voor de vervaldatum melden. Als u denkt dat u om de een of andere reden de betalingen op de vervaldag niet kunt doen, kunt u de looptijd verlengen. Zorg ervoor dat u de middelen heeft. En voordat u besluit over de verlengingstermijn voor het flashkrediet vergeet dan niet dat de kosten hoog zullen gaan. Probeer uw flashkrediet op tijd terug te betalen.

Direct geld lenen vereist meestal geen kredietwaardigheid check. Dit is een van de grootste voordelen van dit type lening. De kredietnemer zal niet worden gestraft voor het hebben van slechte kredietgeschiedenis en zal net worden behandeld als een gewone kredietnemer. Kredietnemers met een slechte kredietwaardigheid hebben succes ondervonden bij het lenen van een flashkrediet. Meerdere faillissementen binnen vorig jaar zouden onaanvaardbaar kunnen zijn.

De rente bij direct geld lenen is hoog. U moet van heinde en verre zoeken om de juiste geldschieter te vinden. Omdat dit een aanzienlijk risico creëren voor kredietverstrekkers hebben ze de neiging om een hoge rente in rekening te brengen om het risico te beperken. De keuzes zijn talrijk dat het maken van de keuze moeilijker maakt. Verschillende kredietverstrekkers hebben hun eigen systeem voor het verstrekken van kredieten. Vraag een offerte aan en vergelijk deze voordat u een definitieve beslissing neemt.

 

 


Libertair municipalisme

In tegenstelling tot het anarcho-syndicalisme beschouwt Bookchin niet de fabriek maar de lokale gemeente als de aangewezen hefboom om de maatschappij in libertaire zin te hervormen. Anarchisten moeten gemeentelijke affiniteitsgroepen opzetten met het doel om via de lokale verkiezingen het bestuur in handen te krijgen om dan onmiddellijk diè maatregelen door te voeren die het gemeentelijk zelfbestuur mogelijk maken. Deze gemeentelijke ’directe democratie’ is het meest aangewezen instrument m de burger van machteloze stemmenleverancier terug om te vormen tot actieve participant in maatschappelijke besluitvormings-processen. Tegelijkertijd zal een confederatie van libertaire gemeentelijke besturen de macht van het nationale staatsapparaat geleidelijk uithollen en overbodig maken. Doorheen deze processen zal de doorslaggevende rol van de professionele politicus in een vertikaal georganiseerde staatsstructuur overgenomen worden door de geheractiveerde burger aan de basis van een horizontaal georganiseerde politieke structuur.

Bookchin’s ’libertair municipalisme’ is het onderwerp geweest van uiteenlopende kritieken. Is hij, ondanks zijn revolutionaire retoriek, in wezen geen reformist die via een electorale meerderheid de gemeenteraad naar zijn hand wil zetten en zoi min of meer radicale sociale en ecologische maatregelen doorgeduwd wil krijgen? Hij antwoordt daarop het volgende: ’Het libertair municipalisme is geen poging om zo maar even de gemeenteraad “over te nemen” en een meer “milieuvriendelijk” bestuur in het zadel te helpen. Deze aanhangers – of liever: tegenstanders – van het libertair municipalisme hebben oog voor de bestaande bestuursstructuren en accepteren deze in hun huidige vorm. Het libertair municipalisme is, daarentegen, een poging om dat bestuur om te vormen en te democratiseren, om het te verankeren in volksraden, om het te kneden volgens confederale patronen en om een regionale economie tot stand te brengen volgens municipale en confederale patronen. Haar levenswet, om een oud marxistisch begrip te gebruiken, bestaat precies uit haar strijd met de staat. Want de spanning tussen de gemeentelijke confederaties en de staat moet helder en onverzoenbaar zijn. Omdat de bestaansreden van deze confederaties net ligt in hun oppositie tot de staatssfeer, moeten zij zich ook verre houden van het staatsapparaat en van provinciale en nationale verkiezingen, die geen bijdrage kunnen leveren tot het verwezenlijken van het libertair municipalisme. Het libertair municipalisme krijgt gestalte in en door haar strijd met de staat, zij wordt versterkt en zelfs in haar wezen bepaald door dit conflict. Ontdaan van deze dialectische spanning met de staat, van dit machtsdualisme dat in laatste instantie moet uitmonden in de vrije “commune van de communes” is het libertair municipalisme niet meer dan een opgepoetste vorm van socialisme.’ (J. Biehl, The Murray Bookchin-reader, p 179-180)

Bookchin drijft de anarchistische heterodoxie ten top door er niet voor terug te schrikken termen als ’voorhoede’ en ’leiders’ in de mond te nemen. Mensen zijn niet gelijk: zij verschillen o.a. wat hun politieke ervaring en kennis betreft. Maar een anarchistisch ’leider’ zal dat surplus aan kennis en ervaring niet gebruiken om anderen te overheersen of te manipuleren, zijn streefdoel bestaat erin anderen te laten delen in zijn kennis en ervaring. Op dezelfde manier zal een anarchistishe ’voorhoede’ zich niet tot doel stellen de macht te grijpen (om die dan in een verre toekomst over te dragen aan het volk), maar ze wil de mensen overtuigen van het belang van maatschappelijke instellingen die een democratische participatie aan de macht voor iedereen mogelijk maken.

Bookchin vergelijkt de relatie tussen een anarchistische ’voorhoede’ en het publiek dat zij wil overtuigen met de interactie tussen een goede leraar en zijn leerlingen. En grenst het af tegen de autoritaire interactie tussen een charismatisch leider en zijn volgelingen. Hij verwijst daarbij graag naar Hegels onderscheid tussen Jezus en Socrates. Jezus’ leerlingen haalden hun spirituele energie niet uit zichzelf, maar lieten zich door hem volledig leiden. Zij vonden hun waarheid en vrijheid in een doctrine die hen op een schaaltje aangeboden werd, zij het dat ze deze soms door moeizame inspanningen moesten meester worden. Hun ambitie reikte niet verder dan het zo grtrouw mogelijk doorgeven van de aldus geïnterioriseerde leerstellingen. Socrates’ wijsheid daarentegen bestond er juist in om via dialoog de verborgen kennis die aanwezig is bij elke doorsnee-burger, aan het oppervlak te brengen en daardoor de oorspronkelijke ongelijkheid tussen hem en zijn gesprekspartners te overbruggen. Socrates’ weg is die van dialoog en overtuiging, Jezus’ weg is die van geloof en onderwerping.

Bookchin beseft heel goed dat er een permanent gevaar bestaat dat een ’leider’ zich ontpopt tot een tiran of dat een organisatie elitaire pretenties ontwikkelt. De remedie daartegen is echter niet zich te verzetten tegen leiders en organisaties als dusdanig, maar eraan te werken dat er bij de mensen een dusdanige vrijheidsdrang leeft en dat er dusdanige maatschappelijke instellingen gecreëerd worden dat tirannen en elites nog nauwelijks een kans maken.


Schaarste en post-schaarste

Bookchin meent dat de volledige rijkdom van de menselijke persoon noch in het subjectivistische mensbeeld van de symbolisten, noch in het economistische van de marxisten recht wordt gedaan. Hij verklaart de voortdurende mislukkingen van de anarchisten om de verbroken eenheid van Behoefte en Verlangen te herstellen, vanuit de vooroorlogse situatie van materiële schaarste, waarin de verschillende maatschappelijke geledingen elkaar de schaarse rijkdommen betwisten en slechts tot welvaart kunnen komen ten koste van de verpaupering, plundering en onderdrukking van de anderen. Het klassieke anarchisme is niet door een tokort aan organisatie teloorgegaan, maar door het feit dat het opereerde in maatschappijformaties die georganiseerde systemen van schaarste waren. Dit resulteerde niet enkel in een hiërarchische maatschappij-organisatie (waarbij de uiteenlopende maatschappelijke activiteiten van de sociale groepen in een vertikale, pyramidale structuur werden ondergebracht), maar ook in een dominerend wereldbeeld waarin het ’andere’ als ’lager’ en ’minderwaardig’ wordt geëvalueerd, dat door de heersende klasse mag en moet beheersd, geleid en gebruikt worden.

Na de Tweede Wereldoorlog zijn we echter, dankzij de technologische vooruitgang, in een maatschappelijke situatie van post-schaarste beland waarin het mogelijk wordt het maatschappelijk leven te reorganiseren volgens het imperatief van het Verlangen, waarbij de klassieke communistische maxime ’van ieder volgens zijn vermogen, voor ieder volgens zijn behoefte’ realiteit kan worden. ’Het revolutionaire project zal onvolledig en eenzijdig blijven zolang het niet afrekent met alle hiërarchische denkvormen, alle opvattingen over “andersheid” die verankerd zijn in overheersing. Sociale hiërarchie is ontegensprekelijk harde realiteit de dag van vandaag in de zin van voortspruitend uit de botsing van objectief tegenstrijdige belangen, een botsing die tot op heden bekrachtigd werd door een onvermijdelijke matesse van de Amerikaanse New Left in het midden van de zestiger jaren en vormde ook de sleutel van haar succes: het nastreven van gelijkheid en vrijheid voor de ganse natie leek niet langer ten koste te moeten gaan van de materiële verworvenheden van de middenklassen. ’Niet langer moesten levensmiddelen verdeeld woden volgens hiërarchische sleutels omdat de technologie deze middelen beschikbaar zou stellen op eenvoudige vraag. Vandaar dat “labeur” (labor) ophield een historisch te rechtvaardigen last te zijn waaronder de massa’s gebukt moeten gaan. Sexuele repressie was niet langer noodwendig om iemands libidinale energie om te zetten in noeste arbeid. Conventies die in de weg stonden van het genot werden onder deze nieuwe omstandigheden ondraaglijk en Behoefte kon plaatsruimen voor Verlangen als een authentieke menselijke aandrift. De “sfeer van de noodzaak” kon uiteindelijk vervangen worden door de “sfeer van de vrijheid”.’ (Remaking society, p 143)


De historische inpiratie: de FAI

Bookchin laat zich in zijn opvattingen over organisatie en het revolutionaire proces inspireren door de klassieke anarchistische politieke theorie, persoonlijke ervaringen uit zijn lang militant bestaan en historische ervaringen. Zijn bijzondere aandacht gaat uit naar de succesvolle Spaanse anarchistische organisatie FAI die in de twintiger en dertiger jaren een politieke kracht van betekenis was in het Spaanse politieke landschap. Het ledenbestand van de FAI werd op ongeveer 30 000 mannen en vrouwen geschat. Zij slaagde er tamelijk goed in de acties van de lokale militantenkernen – georganiseerd in affiniteitsgroepen – op een nationaal niveau te coördineren. De FAI bewees dat anarchisme en doelgerichte politieke actie die doordringt tot in cenakels van de macht elkaar niet uitsluiten. Maar die bewondering sluit niet uit dat Bookchin ook zwaarwegende kritieken aan het adres van de FAI uit.

Terwijl het Nationale Comité van de FAI van bij de aanvang een administratief-uitvoerende taak toegewezen kreeg, werden de conclusies die in haar schoot getrokken werden, meer en meer ervaren als meer dan louter suggestief. Zonder echt het karakter van een ’centraal comité’ te kunnen aannemen – daatrvoor stond de sterke anti-autoritaire persoonlijkheid van de doorsnee-’faista’ garant – ging de loyaliteit ten opzichte van de eigen organisatie soms de boventoon halen op de noodzakelijke critische stem. Onder de toenemende politieke spanningen werd de organisatie te veel een doel op zichzelf.

Bovendien werd de FAI precies opgericht om reformistische of autoritaire stromingen binnen de anarcho-syndicalistische CNT (ongeveer een miljoen leden) de pas af te snijden. Maar juist door deze stap te zetten sloten de anarcho-communisten – de zuiver anarchistische militanten – zich op in het keurslijf van een syndicalistische organisatie en lieten zich daardoor meedrijven op een aantal foute vooronderstellingen van het syndicalisme. Bookchin gelooft bijvoorbeeld niet dat de klassenbelangen van arbeiders en kapitalisten onverenigbaar zijn of dat revolutionaire vakbondsstrijd perspectieven opent. Jarenlange arbeid in een fabriek kweekt een onderhuidse, onuitroeibare mentaliteit van onderworpenheid aan. Bookchin sluit zeker niet uit dat arbeiders onder bepaalde omstandigheden zeer militant en vastberaden kunnen optreden, maar toch zal – als puntje bij paaltje komt – de ingewortelde geest van onderworpenheid zijn uitwerking niet missen. Hun behoefte aan (charismatische) leidersfiguren is in dat opzicht typerend. Een echt ’anarchistische’ revolutie is slechts mogelijk als deze onderwerpende fabrieksdemoon uitgedreven wordt en de wereld vanuit een nieuw perspectief bekeken wordt. ’Dit komt neer op de stelling dat de arbeiders zichzelf als menselijke wezens moeten zien en niet als klassenwezens: als creatieve persoonlijkheden, niet als proletariërs; als zelfverzekerde individuen, niet als massa’s. En het doel van de bevrijde maatschappij moet de vrije “commune” zijn, niet een confederatie van fabrieken, hoe zelfbeherend deze ook mag zijn, want zo’n confederatie snijdt één stuk uit de maatschappij – haar economisch component – en verzelfstandigt die tot de totaliteit van de maatschappij. In werkelijkheid zal ook dat economische component vermenselijkt moeten worden door precies humane veroudingen in het arbeidsproces binnen te brengen, door het aandeel van het zware werk in het leven van de producenten terug te dringen, door een totale “Umwertung aller Werte” die zowel slaat op de productie als op de consumptie, op het sociale als op het persoonlijke leven.’ (To remember Spain, p 31)


Anarchisten als katalysatoren

Bookchin gaat ervan uit dat een revolutionaire omwenteling steeds het product is van diepgewortelde historische processen. Een revolutionaire situatie is rijp als het tot een spontane uitbarsting komt van tegen het systeem gerichte acties. Spontaniteit bestaat uit handelen, voelen en denken dat niet ingegeven wordt door dwang van buitenuit, maar door zelfdiscipline en zeldcontrole. Maar ook buiten de spontaniteit blijven er uiteenlopende bewustzijnsniveaus mogelijk: de spontaniteit van een jongere is bijvoorbeeld van een ander kaliber dan de spontaniteit van een ouder persoon. Spontaniteit sluit daarom geen organisatie en structuur uit: normaal gezien levert het niet-hiërarchische organisatievormen op, die dicht bij de basis staan en geworteld zijn in vrijwilligheid.

Een revolutie is een magisch moment omdat het een verborgen wantrouwen, dat voor jaren onder het oppervlak verborgen bleef, in een zeer korte periode omzet in een bewuste weerstand. Daarbij gaat het initiatief meestal uit van een minderheid (wat iets anders is dan een goed gedisciplineerde en gecentraliseerde elite), waarbij de meerderheid haar sympathie laat blijken door de gevestigde orde niet langer te verdedigen. De meerderheid neemt een afwachtende houding aan en schat, door haar passiviteit, de levenskracht van de gevestigde orde in. Als die orde verstek laat gaan, als haar instellingen zo uitgehold zijn en haar macht zo moreel en fysiek ondergraven dat elke vastberadenheid en coherentie smelt als sneeuw voor de zon, dàn pas komt die meerderheid in actie, maar dat gebeurt dan ook in zo’n tempo en op zo’n schaal dat instellingen, sociale verhoudingen, houdingen en waarden, die in de loop van decennia op punt gesteld werden, in een mum van tijd weggevaagd worden. Een opstandige confrontatie met de gevestigde machten, die we onder normale omstandigheden altijd zouden verliezen, neemt onder zulke omstandigheden een eerder symbolische vorm aan. Een revolutionaire situatie is ’rijp’ als het systeem niet terugvecht, maar bij het geringste stoorje onderuit gaat.

Dat betekent ook dat geen enkel ’centraal comité’ een revolutie in de bovenstaande betekenis van het woord kan ’maken’: in het beste geval kan het een staatsgreep tot een goed einde brengen waarbij de ene hiërarchische structuur door de andere vervangen wordt. Een ’revolutionaire partij’ is een orgaan om macht te verwerven, om naar zichzelf toe te halen wat de massa’s in eerste instantie door eigen inspanningen zelf verworven hadden. Het is juist de taak van de anarcho-communisten om deze anarchistische fase’, waarmee alle belangrijke revoluties van start gaan, te vrijwaren en te bestendigen. Er is geen partij nodig die in plaats van de mensen gaat denken en handelen, maar wel een anarchistische organisatie die op systematische wijze de ideeën van zelf-activiteit en zelfbeheer propageert en daardoor het politiek bewustzijn van brede lagen van de bevolking stelselmatig vooruithelpt. In een revolutionaire situatie moet zo’n organisatie de meest geavanceerde politieke eisen stellen die het revolutionaire proces vooruit kunnen helpen. Daarbij zullen de anarchisten handelen binnen de vormen die door de revolutie (en niet door de een of andere revolutionaire organisatie) in het leven werden geroepen. Hun loyaliteit gaat uit naar de organen van de revolutie: in plaats van fabriekscomité’s en raden allerhande te herleiden tot aanhangsels van de alwetende revolutionaire partij, proberen zij alle bestuursrestanten uit de pre-revolutionaire periode te integreren in de nieuw gecreëerde organen van revolutionair zelfbestuur.

Revolutionairen hebben niet als opdracht revoluties te maken, wel anderen helpen revolutionair te worden. Deze opdracht impliceert ook een voortdurend streven om zichzelf te veranderen. Om ons bewust te worden én te werken aan de autoritaire trekjes en elitaire neigingen in onze karakterstructuur die er praktisch vanaf onze geboorte door een hiërarchische omgeving ingeplant werden. De revolutionair getuigt, even goed als ieder ander, van houdingen die uitdrukking zijn van de heersende visie op de wereld. In het Westen wordt het ’zelf’ traditioneel antagonistisch gedefinieerd: het onderscheidt zich niet alleen van het ’andere’, maar probeert dat andere ook te overheersen en te onderwerpen. Het is een ’zelf’ van toeeigening en manipulatie wat tot uiting komt in het op zich nemen van dominerende en onderworpen rollen. Maar dit werken op zichzelf kan niet gebeuren in een sociaal vacuüm: het veronderstelt empathische en wederzijds ondersteunende relaties met anderen. Een anarchist gaat uit van het samengaan van de individuele en de sociale ontwikkeling: een anarchistische bekommernis met ’levensstijl’ heeft evenveel te maken met de integriteit van de revolutie als dusdanig als met persoonlijke integriteit. Een revolutionaire organisatie moet daarom een confederatie zijn van ’affiniteitsgroepen’. Wat wordt met zulke groepen bedoeld? ’Zij drukken niet enkel de rationele dimensie van de revolutie uit, maar ook het vreugdevolle, het zinnelijke en het esthetische. Zij bevestigen dat een revolutie niet slechts een bestorming van de bestaande orde is, maar ook een straat-festival. De revolutie is Verlangen dat doorgedrongen is tot op het sociale terrein en daar veralgemeend werd. Het is niet zonder zware risico’s, tragedies en pijn maar dit zijn de risico’s, tragedies en pijn van de geboorte en van het nieuwe leven, en niet die van wroeging en dood.’ (Towards an ecological society, p 262)

Affiniteitsgroepen functioneren niet als elites: zij streven er niet naar om leidinggevende sleutelposities te veroveren. Het zijn ’katalysatoren’: zij willen het bewustzijn en de strijdvormen van de gemeenschappen, waarbinnen zij opereren, verbreden en verdiepen.


Organisatie versus niet-organisatie

Toevalligerwijze kreeg ik tijdens de voorbereiding van dit artikel een oud pamfletje van Murray Bookchin in de hand dat de titel draagt Anarchy and organization. A letter to the left (oorspronkelijk verschenen in New Left Notes van 15 januari 1969). In het licht van de huidige discussies met theoretici als H. Bey, B. Black en J. Zerzan waarin de jonge, spontaneïstische Bookchin uitgespeeld wordt tegen de oude, dogmatische, leek het me relevant een lang citaat uit dit pamflet te vertalen.

Bookchin: ’Het is belachelijk om het vraagstuk van de “organisatie” versus “niet-organisatie” op te werpen. Deze thematiek is nooit een onderwerp van discussie geweest onder serieuze anarchisten, uitgezonderd misschien die eenzame “individualisten” waarvan de ideologie eerder geworteld is in een extreme variant van het liberalisme dan in het anarchisme. Ja, de anarchisten geloven in organisatie, in nationale en internationale organisatie. Het spectrum van anarchistische organisaties liep uiteen van losse, in sterke mate gedecentraliseerde groepen tot “voorhoede”-bewegingen van vele duizenden, zoals de Spaanse FAI, die op een uitgesproken gecoördineerde wijze functioneerde. Het echte vraagstuk is niet organisatie versus niet-organisatie, maar wel het soort organisatie dat anarcho-communisten op poten proberen te zetten. Wat de diverse anarcho-communistische organisaties gemeen hebben is hun organische ontwikkeling van onderuit, het zijn geen organen die van boven uit in leven geroepen worden. Het zijn sociale bewegingen, die een creatieve revolutionaire levensstijl combineren met een creatieve revolutionaire theorie en geen politieke partijen waarbinnen de levensstijl een exacte copie is van het omliggende burgerlijke milieu en waarvan de ideologie herleid is tot rigiede beproefde en uitgeprobeerde programma’s. In de mate van het menselijk mogelijke willen zij een weerspiegeling zijn van de bevrijde maatschappij die zij willen totstandbrengen, geen slaafs duplicaat van het dominerend systeem van hiërarchie, klasse en autoriteit. Ze zijn opgebouwd rond nauw verbonden groepen van broeders en zusters – affiniteitsgroepen – waarvan het vermogen tot gemeenschappelijke actie gevoed wordt door zelf-activiteit, vrijwillig gedeelde overtuigingen en verregaand persoonlijk engagement, en niet door een bureaucratisch apparaat bevolkt door een volgzaam ledenbestand en van bovenaf gemanipuleerd door een handvol alwetende leiders.’

Bookchin is echter de eerste om toe te geven dat de anarchistische organisatievorm in het tijdperk van de klassieke revoluties (1789-1936) geleidelijkaan overvleugeld werd door economistisch georiënteerde marxistische groepen. Bookchin spreekt in dit geval van het geleidelijk uit elkaar drijven van ’poEsie’ en ’revolutie’, van ’Verlangen’ en ’Behoefte’. Dat poëtische aspect ziet hij op een typerende manier belichaamd door een 19-de eeuwse Franse artistieke stroming, het symbolisme (Rimbaud, Verlaine, Mallarmé,…), die zich liet inspireren door een concreet mensbeeld waarin spel, zinnelijkheid en sexualiteit centraal stonden. De symbolisten staken hun politieke sympathie voor het anarchisme niet onder stoelen of banken: Rimbaud en Verlaine sympatiseerden openlijk met de Parijse Communards, terwijl Mallarmé bijdragen schreef voor anarchistische publicaties. Aan de andere kant van de politieke horizon stond het steeds meer aan invloed winnende abstracte mensbeeld van Marx en Engels, helemaal ondergedompeld in de universalistische en economistische categorieën van klasse, eigendom en waar. Na de nederlaag van de Commune van Parijs (1871) zouden beide stromingen elke voeling met elkaar verliezen en op die manier allebei in een patstelling terechtkomen. Het symbolisme mondt uit in een ongenuanceerd subjectivisme dat de redding van de mens zoekt in een reis naar binnen, waarbij het individu volledig gescheiden wordt van de maatschappij, de subjectiviteit vande objectiviteit, het bewustzijn van de actie. Het marxisme, van zijn kant, mondt uit in het leninisme dat alle revolutionaire aandacht toespitst op de politieke middelen ten koste van de sociale doelstellingen, op strategie en tactiek met veronachtzaming van de utopie. Daardoor nam de revolutionaire beweging geleidelijkaan de hiërarchische instellingen, het puritanisme, de werkethiek en de karakterstructuur van de burgerlijke maatschappij over, die zij op papier pretendeerde te bestrijden. De doelstellingen van de marxistisch geïnspireerde partijen werden, typerend genoeg, herleid tot de verovering van de macht in plaats van de ontbinding van die macht na te streven, wat het voortbestaan van een maatschappelijke hiërarchie impliceerde. Op die manier werd er een ongeoorloofde wig gedreven tussen Poësie en Revolutie, tussen Verlangen en Behoefte.


Dichter in een verkeerde wereld

 

Paul van Ostaijens literair oeuvre kan slechts begrepen worden tegen de maatschappelijke achtergrond van de moderniteit.

Paul van Ostaijens literair oeuvre kan slechts begrepen worden tegen de maatschappelijke achtergrond van de moderniteit: de teloorgang van de landelijk-traditionele samenleving en de opkomst van de nieuwe stedelijk-industriële wereld. ’De gezapige, geordende en overzichtelijke Biedermeiertijd liep zichtbaar op zijn laatste benen, de oprukkende moderniteit creëerde een nieuwe wereld van rationalisering, demo-cratisering, schaalvergroting, urbanisering, massaproductie, massacon-sumptie, kapitaalsaccumulatie, gedisciplineerde of gehomogeniseerde arbeid.’ (Marc Reynebeau, ’Mensen zonder eigenschappen’, in: ’De jaren ’30 in België’, blz 13-14) De meeste progressieven verwelkomden deze ’schok van het nieuwe’ omdat door het wegvallen van de traditionele, verstikkende controles experimenten met de nieuwe vrijheden mogelijk werden. Een minderheid van progressieven – kunstenaars, anarchisten, libertairen (o.m. William Morris) – bekritiseerden echter de moderniteit als verschijningsvorm van de burgerlijk-kapitalistische samenleving. De surrealisten bijvoorbeeld wilden door een artistieke cultivering van de droom, de fantasie en het onderbewustzijn de vervreemdende banaliteit van de burgerlijke alledaagsheid ondergraven (zie ook elders in dit nummer). De Belgische surrealist Victor Servranckx wilde met zijn werk ’een menselijke macht tot stand brengen, die in staat zal zijn de verpletterende eigenschap van de vooruitstrevende machine te fnuiken’.

De ’nieuwe baan’ van het moderne

Bij Van Ostaijen treffen we beide houdingen tegenover de moderniteit aan – de waarderende én de afwijzende – waarbij zijn bijna drie jaar durende ballingschap in Berlijn als duidelijke kenteringsperiode gefungeerd heeft.

Geboren in 1896 behoorde hij tot diè generatie vastbesloten en hoopvolle middenstandsjongeren die als eersten volledig middelbaar onderwijs in het Nederlands hadden kunnen volgen en die zich als een voorhoede beschouwden met als taak het achtergestelde Vlaamse volk te verheffen en ’op te beuren’. Zij maakten zich met de ideeën van de Europese artistieke avant-garde eigen en voelden zich daardoor de belichaming van ’de geestelijke inhoud eener natie’ die ze ’de nieuwe baan’ van de moderniteit wilden opsturen. Hun grootste vijand in dit streven was het ouderwetse, verstarde en zelfgenoegzame België dat droop van eigenwaan en optimisme alsof het de beste der mogelijke werelden was. Eén blik op de lamentabele toestand waarin Vlaanderen verkeerde was echter voldoende om de onwaarachtigheid van deze opgeblazen pretenties te doorprikken. Toen deze jonge mensen op zoek gingen naar een op verandering gerichte traditie waarin hun idealisme en verzet een bredere ideologische legitimatie zouden krijgen, kwamen ze automatisch bij het flamingantisme terecht. De Vlaamse beweging was immers van oudsher de geliefkoosde wijkplaats geweest van de kleinburgerlijke oppositie die haar maatschappelijke ambities gefnuikt zag door een arrogante Franssprekende elite. Nochtans had Van Ostaijen van bij het begin oog voor de sociale dimensie van het ’Vlaamse probleem’: het taalverschil verscherpte slechts de maatschappelijke onderdrukking waarvan de Vlaamse arbeider het slachtoffer was.

Toen het gehate oude België, na de Duitse inval in augustus 1914, geruisloos in elkaar klapte werd dit door Van Ostaijen & Co beschouwd als een bewijs van de verrotting ervan: de oorlog had het in elkaar stuiken van het oude België niet veroorzaakt, enkel ’de agonie ervan versneld’. Met blij gemoed stapte Van Ostaijen dan ook, samen met pacifisten,anarchisten en communisten, het ’activistisch’ avontuur binnen. ’Activisme’ was een begrip dat overgenomen werd van de vooroorlogse Duitse avant-garde dat stond voor de overtuiging dat dringend handelend opgetreden moest worden om een ’betere’ wereld met ’meer geest’ op te bouwen. De nieuwe, humanitaire wereld zou modern zijn en erin slagen gelijke tred te houden met de nieuwe mogelijkheden en razendsnelle ontwikkelingen van de tijd. De kunst was één van de middelen om de geest over de ’materie’ (waar de burgerij bij zwoor) te doen zegevieren. Van Ostaijens tweede dichtbundel ’Het Sienjaal’ (oktober 1918) staat bol van humanitaire bevlogenheid waarin de universele broederschap en haar inspirerende wisselwerking met het individu bezongen worden: ’sterke/ ziel van buiten, geworden tot mijn ziel;/ kracht, die weer buitenwaarts gaat’.

De kunst van de ’dynamiek’

Van Ostaijen schreef kunst in deze tijd een duidelijk maatschappelijke rol toe: ze moest opvoedend en volksverheffend zijn. Hij plaatste zich daarmee in de traditie van het 19-de eeuwse idealisme dat zich kenmerkte door een zeker anti-estheticisme omdat de voorrang gegeven werd aan de ’goede broederschap’.

In het begin van de 20-ste eeuw had het expressionisme een eigentijdse versie van deze traditie geformuleerd: in zijn artistiek oeuvre moest de kunstenaar zijn eigen visie tot expressie laten komen. Hij moest vertrekken vanuit ideeën waarmee hij voorrang van de ’geest’ bevestigde, een subversieve opvatting in dit materialistisch geïnspireerd burgerlijk tijdperk. Het expressionisme kruiste daarmee de degens met het toendertijd in zwang zijnde impressionisme dat zich concentreerde op impressies (’mooie plaatsen in mooie momenten gezien’) die vanuit de buitenwereld op ons afkomen en ons treffen door hun esthetische betekenis. De expressionist zal de empirie, de zintuiglijke waarneembare wereld, wantrouwen. Dit wantrouwen is voor een deel politiek geïnspireerd: wie slechts het bestaande wil weerspiegelen, bevestigt daarmee de verfoeilijke bourgeois-orde. Bovendien verbergt het louter zintuiglijk waarneembare de ’geestelijke’ dimensie, die slechts blootgelegd kan worden via de gebalde, synthetische visie die de kunstenaar vanuit zijn eigen subjectiviteit tot expressie moet brengen.

In dit verband gebruikte Van Ostaijen het sleutelbegrip ’dynamiek’. Zijn uitgangspunt was dat met de moderniteit een nieuwe – dynamische – tijd was ontstaan die door een nieuwe kunst in al zijn facetten moest weerspiegeld worden: de aard van de kunst moest in overeenstemming zijn met de aard van de werkelijkheid. De toegenomen mobiliteit had voor gevolg dat de mensen niet langer gebonden waren aan een bepaalde plek, maar dat ze de werkelijkheid waarnemen in termen van quasi-simultaniteit (bv. dankzij de trein kan men praktisch op hetzelfde moment op twee plaatsen tegelijk zijn). In het statische, pre-moderne tijdperk had men te doen met een besloten concept ’ruimte’ met graduele overgangen in ruimte en tijd (doordat het veel tijd kostte om zich te verplaatsen, kon men zich geestelijk voorbereiden op de confrontatie met een nieuwe plaats). Het wezen van de 19-de eeuw kon daardoor ook gevat worden door een kunst van nabootsing van het waarneembare en van de statiek. Na de eeuwwisseling gaat dat niet langer op: ’De quasi-simultaniteit van de ervaringen verruimde het bewustzijn tot buiten de grenzen van het direct waarneembare, deed de beelden over elkaar heen schuiven, verenigde wat niet verenigbaar leek, miste coherentie, creëerde verwarring.’ (p 37) Deze afwezigheid van samenhang is het waarneem-bare vereiste dat de samenvoeging elders zou gebeuren: in de geest, de theorie, het denken, het subjectieve ’innerlijke’ van de scheppende kunstenaar. Dynamiek werd aldus identiek met de beweging waarmee de geest zich in staat stelt om de wereld in zijn geheel samen te vatten.

’De rode legers wassen niet’

Omwille van zijn activistisch engagement achtte Van Ostaijen het – in het vooruitzicht van de Duitse nederlaag – geraadzaam om naar de Duitse hoofdstad uit te wijken. In Berlijn komt hij echter temidden van een echte revolutie terecht: de vrijkorpsen van de rechtse socialist Friedrich Ebert zijn er in een strijd op leven en dood gewikkeld met de revolutionaire socialisten. Een ooggetuige beschreef het Berlijn van december 1918 als volgt: ’Berlijn kwam op me af als een stad die werd opgetild door een golf van hoop en hartstocht. Voortdurend trokken eindeloze optochten door de alleeën, roepend om socialisme, vrijheid en brood. (…) Berlijn was alles tegelijk: feest, chaos en revolutie. (…) De agitatie op straat was de voedingsbodem voor een onoverzichtelijke veelheid van nieuwe ideeën. (…) En dan was er nog de massa, ieder ogenblik bereid de straat op te gaan om zich aan te sluiten bij de matrozen die de wapenen nog niet hadden neergelegd. De straat was aan het volk.’

In zijn dichtbundel ’Het Sienjaal’ had Van Ostaijen de utopieën van geest, broederlijkheid en mensenliefde bejubeld. Nu bracht de Berlijnse revolutie de utopie in zeer concrete maar ook overweldigende vorm op straat in de vorm van vaak chaotische luidruchtige en dreigende massa’s van proletariërs. De middenstandsjongen en dandy met fijne manieren die Van Ostaijen in wezen was, deinsde met ontzetting terug voor deze ongeschoren realiteit en zocht soelaas in zijn innerlijkheid. Onder deze omstandigheden concipieerde hij zijn dichtbundel ’De feesten van angst en pijn’. Geleidelijkaan ’normaliseerde’ de politieke situatie in Duitsland. Alhoewel dit het dagelijkse leven minder bedreigend moet hebben gemaakt, bracht ze bij Van Ostaijen een proces van politieke radicalisering op gang. Hij nam afstand van de gerestaureerde bourgeois-orde. In het voorjaar van 1921 publiceerde hij het opstel ’Rond het Vlaamse probleem, enige Kanttekeningen’ in ’De Nieuwe Tijd’, het tijdschrift van de Nederlandse libertaire socialiste Henriëtte Roland Holst. Daarin spreekt hij zich uit voor een compromisloze klassenstrijd en de utopie van een ’Kommunistische Bondstaat Europa’. Hij keert zich tegen de sociaal-democratie (die hij voorheen als zijn natuurlijke bondgenoot beschouwde), die hij zelfs ’de grootste vijand’ van de socialistische gedachte noemt, terwijl hij in verschillende brieven geschreven in deze periode uitdrukkelijk zijn keuze voor het communisme vermeldt.

In het slot van ’Bezette Stad’ (voorjaar 1921) klinkt zijn ontgoocheling over het mislukken van de communistische omwenteling door : ’O ons verlangen/ naar het kapotten van alle begrippen/ alle hoop/ alle ideoterijen/ de rode vloed groeit niet/ de rode legers wassen niet/ en niets gaat stuk/ en niets gaat stuk’.

Van Ostaijen bleef in de daarop volgende jaren een communistische samenleving beschouwen als voorwaarde voor de ’realisatie’ van de moderne kunst. Toen duidelijk werd dat het radicale socialisme politiek niet haalbaar was, bleef de communistische utopie bij hem fungeren als norm om een critisch-gedistantieerde afstandelijkheid ten aanzien van de maatschappelijke werkelijkheid te bewaren.

In vogelperspectief

De zwanezang van de naoorloge revolutietijd luidde een andere beleving van de moderniteit in: het gevoel van bevrijding uit de vermolmde 19-de eeuwse tradities maakte plaats voor het beklemmend gevoel doodgeknepen te worden door de anonieme disciplines van de ’Modern Times’. Ook Van Ostaijen wordt er zich van bewust dat de oude schimmen vervangen werden door nog boosaardiger demonen: de ’veramerikanisering’, de commercialisering, het gerationaliseerde kapitalisme, de cynische, anonieme en corrumperende alleenheerschappij van het geld… In deze context van veralgemeend gebrek aan geest voelt hij zich niet op zijn plaats. Daarom neemt hij afstand van zijn onherbergzame, empirische omgeving en gaat op zoek naar vaste ankerpunten buiten de empirie.

De artistieke vertaling van deze ’distanciëring’ vindt men het helderst terug in zijn ’grotesken’, d.w.z. verhalen of vertogen (met expressieve titels als ’De kudde van Clair of de maagdelijke bommelaarster’) waarbij een realistisch detail of een banale gebeurtenis tot absurde proporties uitvergroot worden. Ze creëren een eigen wereld waarin een in zichzelf besloten, onwrikbare logica heerst. Bij Van Ostaijen is de wereld van de groteske de wereld van de ’absolute verkeerdheid’, die haar oorsprong vindt in de ’onverbeterbare menselijke dwaasheid’ die verheven wordt tot de ’immanente kracht die het menselijke leven regeert’. De grotesken-schrijver kan daarbij enkel de positie van critisch scepticus innemen: hij staat vervreemd tegenover de wereld en het menselijk bedrijf die beheersd worden door normen, regels en instellingen die de mens uiteindelijk ten gronde richten en waar enkel gewiekste schurken van profiteren. Waarnemer en waargenomene zijn volkomen van elkaar gescheiden. De waarnemer kijkt vanuit een vogelperspectief neer op het menselijijn.