Anarchisten als katalysatoren

Bookchin gaat ervan uit dat een revolutionaire omwenteling steeds het product is van diepgewortelde historische processen. Een revolutionaire situatie is rijp als het tot een spontane uitbarsting komt van tegen het systeem gerichte acties. Spontaniteit bestaat uit handelen, voelen en denken dat niet ingegeven wordt door dwang van buitenuit, maar door zelfdiscipline en zeldcontrole. Maar ook buiten de spontaniteit blijven er uiteenlopende bewustzijnsniveaus mogelijk: de spontaniteit van een jongere is bijvoorbeeld van een ander kaliber dan de spontaniteit van een ouder persoon. Spontaniteit sluit daarom geen organisatie en structuur uit: normaal gezien levert het niet-hiërarchische organisatievormen op, die dicht bij de basis staan en geworteld zijn in vrijwilligheid.

Een revolutie is een magisch moment omdat het een verborgen wantrouwen, dat voor jaren onder het oppervlak verborgen bleef, in een zeer korte periode omzet in een bewuste weerstand. Daarbij gaat het initiatief meestal uit van een minderheid (wat iets anders is dan een goed gedisciplineerde en gecentraliseerde elite), waarbij de meerderheid haar sympathie laat blijken door de gevestigde orde niet langer te verdedigen. De meerderheid neemt een afwachtende houding aan en schat, door haar passiviteit, de levenskracht van de gevestigde orde in. Als die orde verstek laat gaan, als haar instellingen zo uitgehold zijn en haar macht zo moreel en fysiek ondergraven dat elke vastberadenheid en coherentie smelt als sneeuw voor de zon, dàn pas komt die meerderheid in actie, maar dat gebeurt dan ook in zo’n tempo en op zo’n schaal dat instellingen, sociale verhoudingen, houdingen en waarden, die in de loop van decennia op punt gesteld werden, in een mum van tijd weggevaagd worden. Een opstandige confrontatie met de gevestigde machten, die we onder normale omstandigheden altijd zouden verliezen, neemt onder zulke omstandigheden een eerder symbolische vorm aan. Een revolutionaire situatie is ’rijp’ als het systeem niet terugvecht, maar bij het geringste stoorje onderuit gaat.

Dat betekent ook dat geen enkel ’centraal comité’ een revolutie in de bovenstaande betekenis van het woord kan ’maken’: in het beste geval kan het een staatsgreep tot een goed einde brengen waarbij de ene hiërarchische structuur door de andere vervangen wordt. Een ’revolutionaire partij’ is een orgaan om macht te verwerven, om naar zichzelf toe te halen wat de massa’s in eerste instantie door eigen inspanningen zelf verworven hadden. Het is juist de taak van de anarcho-communisten om deze anarchistische fase’, waarmee alle belangrijke revoluties van start gaan, te vrijwaren en te bestendigen. Er is geen partij nodig die in plaats van de mensen gaat denken en handelen, maar wel een anarchistische organisatie die op systematische wijze de ideeën van zelf-activiteit en zelfbeheer propageert en daardoor het politiek bewustzijn van brede lagen van de bevolking stelselmatig vooruithelpt. In een revolutionaire situatie moet zo’n organisatie de meest geavanceerde politieke eisen stellen die het revolutionaire proces vooruit kunnen helpen. Daarbij zullen de anarchisten handelen binnen de vormen die door de revolutie (en niet door de een of andere revolutionaire organisatie) in het leven werden geroepen. Hun loyaliteit gaat uit naar de organen van de revolutie: in plaats van fabriekscomité’s en raden allerhande te herleiden tot aanhangsels van de alwetende revolutionaire partij, proberen zij alle bestuursrestanten uit de pre-revolutionaire periode te integreren in de nieuw gecreëerde organen van revolutionair zelfbestuur.

Revolutionairen hebben niet als opdracht revoluties te maken, wel anderen helpen revolutionair te worden. Deze opdracht impliceert ook een voortdurend streven om zichzelf te veranderen. Om ons bewust te worden én te werken aan de autoritaire trekjes en elitaire neigingen in onze karakterstructuur die er praktisch vanaf onze geboorte door een hiërarchische omgeving ingeplant werden. De revolutionair getuigt, even goed als ieder ander, van houdingen die uitdrukking zijn van de heersende visie op de wereld. In het Westen wordt het ’zelf’ traditioneel antagonistisch gedefinieerd: het onderscheidt zich niet alleen van het ’andere’, maar probeert dat andere ook te overheersen en te onderwerpen. Het is een ’zelf’ van toeeigening en manipulatie wat tot uiting komt in het op zich nemen van dominerende en onderworpen rollen. Maar dit werken op zichzelf kan niet gebeuren in een sociaal vacuüm: het veronderstelt empathische en wederzijds ondersteunende relaties met anderen. Een anarchist gaat uit van het samengaan van de individuele en de sociale ontwikkeling: een anarchistische bekommernis met ’levensstijl’ heeft evenveel te maken met de integriteit van de revolutie als dusdanig als met persoonlijke integriteit. Een revolutionaire organisatie moet daarom een confederatie zijn van ’affiniteitsgroepen’. Wat wordt met zulke groepen bedoeld? ’Zij drukken niet enkel de rationele dimensie van de revolutie uit, maar ook het vreugdevolle, het zinnelijke en het esthetische. Zij bevestigen dat een revolutie niet slechts een bestorming van de bestaande orde is, maar ook een straat-festival. De revolutie is Verlangen dat doorgedrongen is tot op het sociale terrein en daar veralgemeend werd. Het is niet zonder zware risico’s, tragedies en pijn maar dit zijn de risico’s, tragedies en pijn van de geboorte en van het nieuwe leven, en niet die van wroeging en dood.’ (Towards an ecological society, p 262)

Affiniteitsgroepen functioneren niet als elites: zij streven er niet naar om leidinggevende sleutelposities te veroveren. Het zijn ’katalysatoren’: zij willen het bewustzijn en de strijdvormen van de gemeenschappen, waarbinnen zij opereren, verbreden en verdiepen.