De historische inpiratie: de FAI

Bookchin laat zich in zijn opvattingen over organisatie en het revolutionaire proces inspireren door de klassieke anarchistische politieke theorie, persoonlijke ervaringen uit zijn lang militant bestaan en historische ervaringen. Zijn bijzondere aandacht gaat uit naar de succesvolle Spaanse anarchistische organisatie FAI die in de twintiger en dertiger jaren een politieke kracht van betekenis was in het Spaanse politieke landschap. Het ledenbestand van de FAI werd op ongeveer 30 000 mannen en vrouwen geschat. Zij slaagde er tamelijk goed in de acties van de lokale militantenkernen – georganiseerd in affiniteitsgroepen – op een nationaal niveau te coördineren. De FAI bewees dat anarchisme en doelgerichte politieke actie die doordringt tot in cenakels van de macht elkaar niet uitsluiten. Maar die bewondering sluit niet uit dat Bookchin ook zwaarwegende kritieken aan het adres van de FAI uit.

Terwijl het Nationale Comité van de FAI van bij de aanvang een administratief-uitvoerende taak toegewezen kreeg, werden de conclusies die in haar schoot getrokken werden, meer en meer ervaren als meer dan louter suggestief. Zonder echt het karakter van een ’centraal comité’ te kunnen aannemen – daatrvoor stond de sterke anti-autoritaire persoonlijkheid van de doorsnee-’faista’ garant – ging de loyaliteit ten opzichte van de eigen organisatie soms de boventoon halen op de noodzakelijke critische stem. Onder de toenemende politieke spanningen werd de organisatie te veel een doel op zichzelf.

Bovendien werd de FAI precies opgericht om reformistische of autoritaire stromingen binnen de anarcho-syndicalistische CNT (ongeveer een miljoen leden) de pas af te snijden. Maar juist door deze stap te zetten sloten de anarcho-communisten – de zuiver anarchistische militanten – zich op in het keurslijf van een syndicalistische organisatie en lieten zich daardoor meedrijven op een aantal foute vooronderstellingen van het syndicalisme. Bookchin gelooft bijvoorbeeld niet dat de klassenbelangen van arbeiders en kapitalisten onverenigbaar zijn of dat revolutionaire vakbondsstrijd perspectieven opent. Jarenlange arbeid in een fabriek kweekt een onderhuidse, onuitroeibare mentaliteit van onderworpenheid aan. Bookchin sluit zeker niet uit dat arbeiders onder bepaalde omstandigheden zeer militant en vastberaden kunnen optreden, maar toch zal – als puntje bij paaltje komt – de ingewortelde geest van onderworpenheid zijn uitwerking niet missen. Hun behoefte aan (charismatische) leidersfiguren is in dat opzicht typerend. Een echt ’anarchistische’ revolutie is slechts mogelijk als deze onderwerpende fabrieksdemoon uitgedreven wordt en de wereld vanuit een nieuw perspectief bekeken wordt. ’Dit komt neer op de stelling dat de arbeiders zichzelf als menselijke wezens moeten zien en niet als klassenwezens: als creatieve persoonlijkheden, niet als proletariërs; als zelfverzekerde individuen, niet als massa’s. En het doel van de bevrijde maatschappij moet de vrije “commune” zijn, niet een confederatie van fabrieken, hoe zelfbeherend deze ook mag zijn, want zo’n confederatie snijdt één stuk uit de maatschappij – haar economisch component – en verzelfstandigt die tot de totaliteit van de maatschappij. In werkelijkheid zal ook dat economische component vermenselijkt moeten worden door precies humane veroudingen in het arbeidsproces binnen te brengen, door het aandeel van het zware werk in het leven van de producenten terug te dringen, door een totale “Umwertung aller Werte” die zowel slaat op de productie als op de consumptie, op het sociale als op het persoonlijke leven.’ (To remember Spain, p 31)