Libertair municipalisme

In tegenstelling tot het anarcho-syndicalisme beschouwt Bookchin niet de fabriek maar de lokale gemeente als de aangewezen hefboom om de maatschappij in libertaire zin te hervormen. Anarchisten moeten gemeentelijke affiniteitsgroepen opzetten met het doel om via de lokale verkiezingen het bestuur in handen te krijgen om dan onmiddellijk diè maatregelen door te voeren die het gemeentelijk zelfbestuur mogelijk maken. Deze gemeentelijke ’directe democratie’ is het meest aangewezen instrument m de burger van machteloze stemmenleverancier terug om te vormen tot actieve participant in maatschappelijke besluitvormings-processen. Tegelijkertijd zal een confederatie van libertaire gemeentelijke besturen de macht van het nationale staatsapparaat geleidelijk uithollen en overbodig maken. Doorheen deze processen zal de doorslaggevende rol van de professionele politicus in een vertikaal georganiseerde staatsstructuur overgenomen worden door de geheractiveerde burger aan de basis van een horizontaal georganiseerde politieke structuur.

Bookchin’s ’libertair municipalisme’ is het onderwerp geweest van uiteenlopende kritieken. Is hij, ondanks zijn revolutionaire retoriek, in wezen geen reformist die via een electorale meerderheid de gemeenteraad naar zijn hand wil zetten en zoi min of meer radicale sociale en ecologische maatregelen doorgeduwd wil krijgen? Hij antwoordt daarop het volgende: ’Het libertair municipalisme is geen poging om zo maar even de gemeenteraad “over te nemen” en een meer “milieuvriendelijk” bestuur in het zadel te helpen. Deze aanhangers – of liever: tegenstanders – van het libertair municipalisme hebben oog voor de bestaande bestuursstructuren en accepteren deze in hun huidige vorm. Het libertair municipalisme is, daarentegen, een poging om dat bestuur om te vormen en te democratiseren, om het te verankeren in volksraden, om het te kneden volgens confederale patronen en om een regionale economie tot stand te brengen volgens municipale en confederale patronen. Haar levenswet, om een oud marxistisch begrip te gebruiken, bestaat precies uit haar strijd met de staat. Want de spanning tussen de gemeentelijke confederaties en de staat moet helder en onverzoenbaar zijn. Omdat de bestaansreden van deze confederaties net ligt in hun oppositie tot de staatssfeer, moeten zij zich ook verre houden van het staatsapparaat en van provinciale en nationale verkiezingen, die geen bijdrage kunnen leveren tot het verwezenlijken van het libertair municipalisme. Het libertair municipalisme krijgt gestalte in en door haar strijd met de staat, zij wordt versterkt en zelfs in haar wezen bepaald door dit conflict. Ontdaan van deze dialectische spanning met de staat, van dit machtsdualisme dat in laatste instantie moet uitmonden in de vrije “commune van de communes” is het libertair municipalisme niet meer dan een opgepoetste vorm van socialisme.’ (J. Biehl, The Murray Bookchin-reader, p 179-180)

Bookchin drijft de anarchistische heterodoxie ten top door er niet voor terug te schrikken termen als ’voorhoede’ en ’leiders’ in de mond te nemen. Mensen zijn niet gelijk: zij verschillen o.a. wat hun politieke ervaring en kennis betreft. Maar een anarchistisch ’leider’ zal dat surplus aan kennis en ervaring niet gebruiken om anderen te overheersen of te manipuleren, zijn streefdoel bestaat erin anderen te laten delen in zijn kennis en ervaring. Op dezelfde manier zal een anarchistishe ’voorhoede’ zich niet tot doel stellen de macht te grijpen (om die dan in een verre toekomst over te dragen aan het volk), maar ze wil de mensen overtuigen van het belang van maatschappelijke instellingen die een democratische participatie aan de macht voor iedereen mogelijk maken.

Bookchin vergelijkt de relatie tussen een anarchistische ’voorhoede’ en het publiek dat zij wil overtuigen met de interactie tussen een goede leraar en zijn leerlingen. En grenst het af tegen de autoritaire interactie tussen een charismatisch leider en zijn volgelingen. Hij verwijst daarbij graag naar Hegels onderscheid tussen Jezus en Socrates. Jezus’ leerlingen haalden hun spirituele energie niet uit zichzelf, maar lieten zich door hem volledig leiden. Zij vonden hun waarheid en vrijheid in een doctrine die hen op een schaaltje aangeboden werd, zij het dat ze deze soms door moeizame inspanningen moesten meester worden. Hun ambitie reikte niet verder dan het zo grtrouw mogelijk doorgeven van de aldus geïnterioriseerde leerstellingen. Socrates’ wijsheid daarentegen bestond er juist in om via dialoog de verborgen kennis die aanwezig is bij elke doorsnee-burger, aan het oppervlak te brengen en daardoor de oorspronkelijke ongelijkheid tussen hem en zijn gesprekspartners te overbruggen. Socrates’ weg is die van dialoog en overtuiging, Jezus’ weg is die van geloof en onderwerping.

Bookchin beseft heel goed dat er een permanent gevaar bestaat dat een ’leider’ zich ontpopt tot een tiran of dat een organisatie elitaire pretenties ontwikkelt. De remedie daartegen is echter niet zich te verzetten tegen leiders en organisaties als dusdanig, maar eraan te werken dat er bij de mensen een dusdanige vrijheidsdrang leeft en dat er dusdanige maatschappelijke instellingen gecreëerd worden dat tirannen en elites nog nauwelijks een kans maken.