Schaarste en post-schaarste

Bookchin meent dat de volledige rijkdom van de menselijke persoon noch in het subjectivistische mensbeeld van de symbolisten, noch in het economistische van de marxisten recht wordt gedaan. Hij verklaart de voortdurende mislukkingen van de anarchisten om de verbroken eenheid van Behoefte en Verlangen te herstellen, vanuit de vooroorlogse situatie van materiële schaarste, waarin de verschillende maatschappelijke geledingen elkaar de schaarse rijkdommen betwisten en slechts tot welvaart kunnen komen ten koste van de verpaupering, plundering en onderdrukking van de anderen. Het klassieke anarchisme is niet door een tokort aan organisatie teloorgegaan, maar door het feit dat het opereerde in maatschappijformaties die georganiseerde systemen van schaarste waren. Dit resulteerde niet enkel in een hiërarchische maatschappij-organisatie (waarbij de uiteenlopende maatschappelijke activiteiten van de sociale groepen in een vertikale, pyramidale structuur werden ondergebracht), maar ook in een dominerend wereldbeeld waarin het ’andere’ als ’lager’ en ’minderwaardig’ wordt geëvalueerd, dat door de heersende klasse mag en moet beheersd, geleid en gebruikt worden.

Na de Tweede Wereldoorlog zijn we echter, dankzij de technologische vooruitgang, in een maatschappelijke situatie van post-schaarste beland waarin het mogelijk wordt het maatschappelijk leven te reorganiseren volgens het imperatief van het Verlangen, waarbij de klassieke communistische maxime ’van ieder volgens zijn vermogen, voor ieder volgens zijn behoefte’ realiteit kan worden. ’Het revolutionaire project zal onvolledig en eenzijdig blijven zolang het niet afrekent met alle hiërarchische denkvormen, alle opvattingen over “andersheid” die verankerd zijn in overheersing. Sociale hiërarchie is ontegensprekelijk harde realiteit de dag van vandaag in de zin van voortspruitend uit de botsing van objectief tegenstrijdige belangen, een botsing die tot op heden bekrachtigd werd door een onvermijdelijke matesse van de Amerikaanse New Left in het midden van de zestiger jaren en vormde ook de sleutel van haar succes: het nastreven van gelijkheid en vrijheid voor de ganse natie leek niet langer ten koste te moeten gaan van de materiële verworvenheden van de middenklassen. ’Niet langer moesten levensmiddelen verdeeld woden volgens hiërarchische sleutels omdat de technologie deze middelen beschikbaar zou stellen op eenvoudige vraag. Vandaar dat “labeur” (labor) ophield een historisch te rechtvaardigen last te zijn waaronder de massa’s gebukt moeten gaan. Sexuele repressie was niet langer noodwendig om iemands libidinale energie om te zetten in noeste arbeid. Conventies die in de weg stonden van het genot werden onder deze nieuwe omstandigheden ondraaglijk en Behoefte kon plaatsruimen voor Verlangen als een authentieke menselijke aandrift. De “sfeer van de noodzaak” kon uiteindelijk vervangen worden door de “sfeer van de vrijheid”.’ (Remaking society, p 143)